Cecilia stond aan de rand van het meer en keek uit over het water dat glansde als parelmoer. Het was zo helder dat het meer niet alleen de lucht weerspiegelde maar ook iets diepers liet zien, alsof herinneringen zelf in het water leefden. Alles om haar heen voelde zuiver en verbonden, bloemen die zacht bewogen, planten die licht uitstraalden en dieren en wezens die zonder angst leefden in een stille eenheid. Alles was familie van elkaar.
Ze was een meisje van acht en tegelijk ouder dan dat, alsof er geschakeld kon worden van hoedanigheid. In haar leefde iets dat deze plek herkende. Langs het water stonden de wezens, slank en sierlijk, met puntige oren en ogen die leken te gloeien van binnenuit. Op hun hoofd droegen ze een lichtvorm die voortdurend van kleur veranderde, als een weerspiegeling van hun innerlijke wereld.
Terwijl Cecilia verder keek verschenen er mensen aan de rand van het water. Eerst vaag, daarna steeds duidelijker. Haar hart reageerde direct, want ze herkende hen. Mensen van Aarde, maar hier lichter, zachter en zonder de zwaarte die ze daar droegen. Zonder woorden voelde ze de verbinding, alsof die al veel langer bestond dan haar leven daar.
Ze begreep het ineens. De banden die ze op Aarde voelde waren hier ontstaan. Wat daar soms ingewikkeld leek, was hier helder en eenvoudig. In die wereld zag ze die verbindingen terug als licht dat alles met elkaar verbond.
Cecilia glimlachte zacht. Het voelde niet als iets nieuws maar als iets dat ze zich eindelijk weer herinnerde. Hier, waar alles één was, en waar niets ooit echt verloren ging.








