Voor mij verscheen een ruimteschip, zo groot dat er een grote stad aanwezig was. Geen metaal, geen kou, maar een levende plek vol bomen, licht, en stromend water. Natuur en technologie in volmaakte harmonie.
Het behoorde toe aan de Arcturianse wezens uit een ander dichtheidsveld. Er waren meerdere bemanningsleden aanwezig. Oude zielen, kalm en stralend. Hij was één van hen. Zijn ogen droegen sterren in zich. Hij had een vrouw daar, kinderen ook. Ze leefden al eeuwen op dit schip, in vrede, verbonden met alles wat leeft.

Ik vroeg hem of hij dit herkende:
“In dit aardse leven heb ik altijd willen vliegen. In complete vrijheid willen leven. Alleen nooit geen kans voor gehad. Maar het verlangen bleef. Nu begin ik te begrijpen waarom ik altijd wilde vliegen….”
De puzzelstukjes vallen langzaam op z’n plek, alles lijkt steeds meer te kloppen. Hij is altijd verbonden met de piloot die hij is. De Arcturiaan die het schip bestuurd…








